Schending van wetenschappelijke integriteit

In de wetenschap bestaat verschil van mening. Zonder dat zou er geen vooruitgang in onze kennis mogelijk zijn. Maar in het wetenschappelijk debat hoort men de argumenten van de tegenstander serieus te nemen en op een faire wijze te representeren. Dat beschouw ik als een fundamenteel onderdeel van wetenschappelijke integriteit. In een recent interview in de Volkskrant wordt dit principe op grove wijze geschonden door een van de meest vooraanstaande vertegenwoordigers van de neurowetenschappen. Hieronder leg ik uit waarover het gaat.

Deze zomer verscheen een boek met een uitvoerige kritiek op de claims die de ontdekkers van de spiegelneuronen maken over de rol die deze neuronen spelen in het begrijpen van andermans doen en laten. Het betreft: “The myth of mirror neurons” van Gregory Hickok. Op basis van een zorgvuldige analyse van de papers van Rizzolatti en collega’s geeft Hickok zijn argumenten waarom deze ballon niet opgaat.

Waar gaat het om? De ontdekking van spiegelneuronen zijn wel vergeleken met de ontdekking van het DNA. Spiegelneuronen, zo laat Hickok in zijn boek zien, worden vandaag de dag als verklaring van zo ongeveer elk probleem gezien. Heb je autisme, het komt door een gebrek in je spiegelneuronen. Lijd je aan stotteren, heb je schizofrenie, erectieproblemen, last van obesitas, het is allemaal de schuld van je spiegelneuronen die niet optimaal functioneren. Zelfs “misattribution of anger in the music of avant-garde jazz saxophonists” wordt aan mankerende spiegelneuronen toegeschreven. Dit alles op basis van een interessante ontdekking met beperkte relevantie die in 1992 door een groep Italiaanse onderzoekers in Parma wereldkundig gemaakt werd. Wat vonden deze onderzoekers? In de frontaalschors van een aap hadden Rizzolatti en zijn collega’s een aantal elektroden geplaatst om het vuurgedrag van de aldaar aanwezige neuronen te kunnen meten. Daarbij registreerden ze dat elke keer dat de aap een grijpbeweging maakte naar bijvoorbeeld een pinda, neuronen in dat gebied sterke activiteit vertoonden. Bij toeval ontdekten ze echter ook dat indien de proefleider een zelfde beweging maakte, een aantal van dezelfde neuronen eveneens hevig vuurden. Op basis van deze en daarop volgende bevindingen zagen de onderzoekers hierin een oplossing voor een centraal probleem: hoe kan ik uit het gedrag van een ander zijn bedoeling afleiden? Het antwoord was: er hoeft niets te worden afgeleid. De spiegelneuronen zorgen ervoor dat je intern het gedrag van de ander simuleert. Zelf ken je het doel van je handeling. Datzelfde systeem kan nu gebruikt worden om het doel van andermans handelen te achterhalen. Jouw eigen handelingssysteem resoneert mee indien je andermans handelen waarneemt.

makak_neonatal_imitation (1)Bron: Evolution of Neonatal Imitation. Gross L, PLoS Biology Vol. 4/9/2006, e311 doi:10.1371/journal.pbio.0040311

Op zichzelf is dit een interessante gedachte, maar het werkt niet. Ons gedrag is daarvoor veel te ambigu en contextafhankelijk. Als ik kuch, kan dat bijvoorbeeld zijn omdat ik een kriebel in mijn keel heb, maar het kan ook een uiting van ironie zijn, in antwoord op de uitspraak: “Rizzolatti is de grootste neurowetenschapper van de 21e eeuw”. Het spiegelen van andermans handeling is bij lange na niet voldoende om te achterhalen wat de bedoeling van de handeling is. Rizzollatti claimt dat zijn theorie ook het menselijk taalbegrip kan verklaren. Maar het is duidelijk dat hij van taal niet veel begrepen heeft. Bij het gebruik van taal gaat het meestal om meer dan het doen van een bewering die ik kan begrijpen door de inhoud ervan te simuleren. Als ik bij een bezoek aan mijn buurman zeg: “Jan, het is hier warm”, dan zal zijn antwoord niet zijn “Ja, Peter, het is hier 33 graden”, maar veeleer “Zal ik de verwarming wat lager zetten”. Mijn buurman heeft begrepen dat ik met mijn bewering iets probeer te bereiken, dat in feite mijn bewering een verzoek is: Doe er iets aan. Daarvoor is het onvoldoende dat ik de inhoud van de bewering simuleer, bijvoorbeeld door de hersengebieden die de gevoelstemperatuur vaststellen te activeren. Opnieuw, taal is veel te contextafhankelijk om met eenvoudige simulatieprocessen de intentie van de spreker te achterhalen. Ik en mijn medewerkers hebben in hersenonderzoek laten zien dat je om de bedoeling van de spreker te achterhalen het zogenaamde ‘Theory of Mind’ netwerk moet inschakelen; dat is een serie gebieden in het brein die ons in staat stelt inferenties te maken over de mentale toestanden van de ander. Deze gebieden zijn duidelijk te onderscheiden van de gebieden in de hersenen die als het spiegelneuronennetwerk te boek staan. Patronen van hersenactiviteit tonen aan dat er andere gebieden nodig zijn om de bedoeling van de spreker te achterhalen dan die waarin de spiegelneuronen zich bevinden.

In zijn boek, onderzoekt Hickok de houdbaarheid van de spiegelneuronentheorie op basis van een nauwgezette lezing van alle relevante studies die daarover door de Parmagroep gepubliceerd zijn. Hij laat in een zorgvuldig opgebouwd betoog zien waarom de claims van Rizzolatti en zijn collega’s uiteindelijk niet houdbaar zijn. Meerdere van zijn argumenten zijn overigens terug te vinden in andere publicaties, o.a. in een artikel dat Ivan Toni en ik enkele jaren geleden deden verschijnen in het Journal of Physiology Paris.

Wat heeft Rizzolatti op deze kritiek te zeggen? In de wetenschapsbijlage van de Volkskrant van 18 oktober vroeg de interviewer aan Rizzolatti:  “In de mythe van de spiegelneuronen schrijft Hickok dat nooit is bewezen dat het spiegelen van andermans gedrag tot doel heeft de ander te begrijpen.” Daarop antwoordt Rizzolatti: “Hickok is een taalkundige. Ik houd meer van wetenschappers die hun eigen onderzoek doen. Hickok haalt zijn kennis uit populair wetenschappelijke bladen. Maar goed, het bewijs dat we gedrag van anderen spiegelen met als doel de ander te begrijpen is nog zwak. Dat klopt”. Dit antwoord bevat twee onjuistheden. Allereerst is Hickok een hersenonderzoeker die vele publicaties op zijn naam heeft staan over de neurale basis van taal, zowel door studies te doen bij afasiepatiёnten als door fMRI onderzoek bij gezonde personen. Hickok heeft heel wat meer onderzoek gedaan naar taal dan Rizzolatti zelf, die daarover wel van alles beweert, maar geen empirische data levert waarop die beweringen gestoeld zijn. Tevens heeft Hickok alle primaire publicaties zorgvuldig bestudeerd. Zijn boek is dus niet gebaseerd op stukjes in populair wetenschappelijke bladen, maar op de primaire literatuur. Ofwel Rizzolatti heeft het boek niet gelezen en kent het werk van Hickok niet, maar dan moet hij dat zeggen. Ofwel hij verdraait willens en wetend de feiten en probeert op deze wijze Hickok’s argumenten te ontkrachten. Maar in dat geval maakt hij zich aan leugens schuldig. Met dit soort clowneske antwoorden dreigt Rizzolatti de Beppe Grillo van de neurowetenschappen te worden. Ik vind dit een ernstige schending van wetenschappelijke integriteit, een grootheid als Rizzolatti onwaardig.

Dit blog is geschreven door Peter Hagoort. Peter Hagoort is professor in de cognitieve neurowetenschappen, oprichter van het Donders Instituut, en daarnaast directeur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek. Lees meer over het onderzoek van zijn groep op zijn blog Het talige brein

2 Comments

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *