This post is also available in Engels .
Kun je je een appel voorstellen? Als het antwoord nee is, heb je misschien afantasia. Nieuw onderzoek werpt een nieuw licht op het doel van visuele verbeelding en helpt ons empathie, geheugen en misschien zelfs bewustzijn zelf te begrijpen.
Hoe ziet jouw mentale beeld van een appel eruit? Zit er een blaadje aan de steel? Is hij rood of groen? Ongeveer 4% van de mensen die dit lezen, heeft zich misschien helemaal niets voorgesteld. In dat geval heb je last van iets dat afantasia wordt genoemd: je bent gedeeltelijk of volledig niet in staat om mentale beelden te produceren. Afantasia kan vele vormen aannemen: sommigen hebben levendige dromen, maar kunnen zich niets voorstellen als hen daarom wordt gevraagd, sommigen hebben moeite om zich alleen beelden voor te stellen en sommigen hebben problemen met het voorstellen van geuren, smaken, geluiden of aanrakingen.
De wetenschap van afantasia is vrij nieuw, aangezien de eerste studies naar dit fenomeen pas ongeveer 15 tot 20 jaar geleden van start gingen. Uit dit prille onderzoek weten we dat mensen met afantasia over het algemeen geen problemen hebben met het feit dat ze geen mentale beelden kunnen produceren. Ze kunnen belangrijke instructies onthouden, taken in het dagelijks leven en sociale situaties aan en kunnen zich zonder problemen door ruimtes bewegen. Afantasische mensen presteren zelfs niet slechter dan mensen met een normaal beeldvermogen wanneer ze tijdens experimenten worden gevraagd naar visuele informatie (kleur of vorm van bepaalde objecten). Er is geen verband met psychische aandoeningen, en sommige onderzoekers hebben zelfs de theorie dat afantasia bescherming kan bieden tegen bepaalde stoornissen.
Er zijn echter enkele verschillen. Mensen met afantasia hebben een slechter autobiografisch geheugen (ze herinneren zich hun eigen leven minder gedetailleerd). Ze hebben ook minder empathie bij het lezen van een beschrijving van een emotionele gebeurtenis (bijvoorbeeld een nieuwsbericht), maar het verschil is klein en verdwijnt wanneer ze worden geconfronteerd met een afbeelding van de gebeurtenis. Mensen met afantasia hebben ook meer kans om bepaalde beroepen uit te oefenen, zoals wiskunde of techniek.
Kan het brein deze verschillen verklaren?
Een niewe studie werpt licht op wat er mogelijk in de hersenen gebeurt (Liu et al. 2025): onderzoekers hebben daar de hersenen van tien typische en tien afantasische personen gescand. Tijdens het scannen voerden alle deelnemers een aantal taken uit, zoals zich twee groenten voorstellen en aangeven welke van de twee bladeren donkerder was. Beide groepen konden de vragen gemakkelijk beantwoorden. Verrassend genoeg laten de resultaten geen verschil zien in de activiteit van hersengebieden. Zo vertoonden beide groepen bijvoorbeeld activiteit in de fusiforme beeldvormingsknoop (FIN). Dit is een klein gebied in de hersenen waarvan eerder is aangetoond dat het actief is tijdens mentale beeldvorming, ongeacht de inhoud van het beeld.
Maar er was één heel belangrijk verschil dat afantasie zou kunnen verklaren. Mensen die zich goed konden voorstellen, vertoonden een sterke verbinding tussen het beeldvormingscentrum en een ander gebied van de hersenen in de prefrontale cortex. De prefrontale cortex is verantwoordelijk voor het ordenen van informatie uit verschillende delen van de hersenen, het nemen van beslissingen en het sturen van handelingen op basis van die informatie. Mensen met afantasie hadden deze verbinding niet wanneer ze zich iets probeerden voor te stellen.
Dit is hoe de onderzoekers achter het onderzoek hun bevindingen interpreteren: wanneer een gemiddeld persoon iets probeert te onthouden, zoals bijvoorbeeld een telefoonnummer, zal hij of zij proberen zich daar een beeld van te vormen (in dit geval misschien een telefoongesprek) en op die manier de informatie oproepen. De hersenen van een persoon met afantasia produceren wel degelijk het beeld, maar ‘vertellen’ dit niet aan het controlecentrum van de hersenen. Dit betekent dat personen met afantasië toegang hebben tot de inhoud van mentale beelden, maar geen bewuste subjectieve ervaring van een beeld hebben.
Dit onderzoek is nog jong, maar het suggereert iets interessants: veel van wat er in onze hersenen gebeurt, is voor ons misschien niet bewust toegankelijk. Er is veel informatie die we mogelijk produceren, maar waarvan we niet weten dat we die produceren. De sleutel tot het begrijpen van bewustzijn of bewustwording ligt misschien niet ergens specifiek in de hersenen, maar op de snelwegen die deze regio’s met elkaar verbinden.